Weg met die theedoek!

Thurlede natuurlijk I Joop Th. Peters I foto Ellen Boonstra-de Jong

Het is begin 1963 op ons kale tuincomplex. Het enige zichtbare gebouw is een afgedankte noodwinkel van, naar ik meen, de “C.O.O.P”. Dat was ons verenigingsgebouw. Wij als tuinders noemden het “De Kantine”. Deze heeft meer dan dertig jaar dienst gedaan. Januari 1994 werd ons huidige verenigingsgebouw opgeleverd. Daarover een volgende keer meer. Inmiddels was de aanbesteding achter de rug en de huisjesbouwer bekend. Eén van mijn naaste medetuinders was tot lid benoemd van de commissie van toezicht. Begin mei vroeg ik hem voorzichtig wanneer men met de bouw van de tuinhuisjes begon. “Als de vorst uit de grond is”, antwoordde hij. Toen zaten mijn pootaardappels al in de grond en hier en daar kwamen de kopjes boven de aarde. Bij het leggen van de betonfundering werd te licht bewapeningsstaal gebruikt. Te lichte dakbinten zorgden voor doorgezakte daken. Bij de oude tuinhuisjes is dat nu nog te zien. Op een gegeven moment sprong je een gat in de lucht omdat de tuinschotten er lagen. Heel groot was je desillusie als deze na een paar dagen bij je buurman overeind stonden als tuinhuisje. Had de buurman misschien een grotere mond? Uiteindelijk ging de huisjesbouwer failliet. De werkwijze van de nieuwe huisjesbouwer was beter en als tuinders bleven we enthousiast en koesterden ons eigen bezit; een volkstuin met tuinhuis. Het intimmeren kon beginnen. Dat kostte behoorlijk wat tijd en geld, want erg breed hadden de meesten van ons het niet. Je had toen nog een 48-urige werkweek en werkte ook op zaterdagochtend. Gelukkig stond burenhulp hoog in het vaandel. Na maanden van intimmeren zaten we op een goede dag ons werk onder het genot van een kopje thee te bewonderen. Plotseling stond er een bestuurslid druk gebarend op het asfaltpad. Of we de theedoek, die buiten hing, weg wilden halen. Het ding ontsierde ons tuincomplex. Natuurlijk haalden we onmiddellijk de theedoek binnen. Zo waren we toen nog. Het was immers niet onze bedoeling het complex te ontsieren. We wilden de theedoek alleen maar drogen.

Er was toen nog geen waterleiding en riolering. Wel waren er diverse watertappunten. Het was best een gesleep, soms meerdere malen per dag. Maar je maakte bij het ontmoetingspunt wel een praatje met de andere tuinders. En als je op je tuin al een toilet had, was deze aangesloten op een zelf aangelegde zinkput. Lozen op de sloot was uit den boze. Pas in 1981 en 1982 werd de waterleiding en riolering aangelegd en kregen we een waterleidingput met watermeter. Vanaf het asfaltpad naar het tuinhuis moest je zelf een sleuf graven voor de leidingen en deze in het tuinhuis verdelen naar de kraan en het aan te leggen toilet. In feite was dat de allereerste milieumaatregel. Nog vele zouden er volgen. De meeste volkstuinders waren toen absoluut niet milieubewust. Gelukkig is dan nu anders, want ons milieubesef en het beleid van ons bestuur verdienen een pluim. Toch zijn we er nog lang niet. Het kan nog veel beter, dus! Laten we met z’n allen werken aan ons milieu. In het belang van mens, dier en natuurontwikkeling.

 

 

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.